Nieuwsbrief
vier
juni 2007
Alweer
terug in Gambia. Op de heenreis kom ik Jan, een lagere school vriend, tegen
met zijn vrouw. Ze zijn toevallig lid van de kerk uit Zundert die voor Aljamdu
actie heeft gevoerd!
Door onduidelijke redenen blijkt er een brandstoftekort te zijn in Gambia. Omdat
de meter van de auto dicht tegen het rode aan staat besluit ik te wachten met
de reis naar de noordoever waar Aljamdu ligt, in de hoop dat het probleem snel
verholpen zal zijn.
De volgende dag blijven de benzine stations ook gesloten. Van de gelegenheid
maak ik dan maar gebruik om een openlucht concert van Youssouf N'dour te bezoeken.
Anna Bouman, haar partner en ik gaan in de auto van Anna (met een State House
nummer) naar het stadion waar het concert plaats zal vinden. Dit nummer is een
speciaal regeringsnummer, waardoor overal voorrang en toegang gegeven wordt.
Dat de auto een waggelend barrel is zonder achterlichten maakt niet uit. Al
swingend komen we aldus bij het stadion, waar we maar weinig toeschouwers opmerken.
We dachten om half twaalf s’avonds al te laat te komen, maar blijken één
van de eersten te zijn!
We nemen alvast plaats en zien geleidelijk een toestroom opgang komen van zeer
verleidelijk geklede dames. Het concert blijkt tevens als huwelijksmarkt te
fungeren. Het lange wachten wordt hierdoor beduidend veraangenaamd, ofschoon
de hoeveelheid aan vrouwelijk schoon op een gegeven moment de zintuigen wel
erg overprikkelt. Ook in dit opzicht schijnt er een moment van verzadiging op
te kunnen treden.
Na een uur of drie begint het vooroptreden. De bezoekers blijven op de stoeltjes
zitten, wat me toch enigszins verbaast. Een paar artiesten wisselen elkaar af,
waarbij ik na verloop van tijd me ga afvragen waar onze hoofd attractie blijft.
Opeens herken ik de stem van Youssouf N’dour, die al ruim een uur blijkt op
te treden. De mensen zijn dan ook al volop aan het dansen; de drummers slaan
een overweldigend ritme en ook wij ouwe knarren beginnen vanzelf te heupwiegen.
Na uren, maar voor het einde van het concert, besluiten we terug te gaan. 
De volgende dag wordt ingevuld met heel veel slapen.
Omdat de campingeigenaar een jerrycan brandstof aan mij heeft gegeven, besluit
ik om maandag in elk geval te vertrekken.
Voor zessen sta ik al in de rij bij de ferry. Als eerste sta ik voor het loket
waar het drie kwartier duurt voor de loketbeambte komt. Door de zijdeur komen
allerlei figuren binnen die toch eerder een kaartje hebben. Zodoende mis ik
de eerste boot, maar de tweede blijkt al aan te komen. Helaas blijkt deze vanwege
motorstoring niet meer weg te kunnen. De eerste ferry komt weer terug en versleept
de defecte ferry naar de andere kant van de haven. Dan na aanmeren kan ik eindelijk
de boot op en ben rond elf uur aan de overkant. Daar blijkt geen brandstof te
kort te zijn zodat ik de tank maar meteen vul. Door alle toestanden kom ik met
behoorlijke hoofdpijn aan bij mijn logeeradres Jimbana Park, waar ik gezien
de kans op regen besluit om mijn tent op de veranda van het grote huis te zetten.
Inderdaad volgen
‘s nachts een paar spetters.
De volgende
morgen rijd ik naar het schooltje, waar de kinderen me meteen toezingen met
“welcome, welcome”. Het eerste wat met opvalt is dat er een boom geplant is
voor Mieke, stevig omgeven door stukken blik om vraat van geiten te voorkomen.
Daarnaast zijn er naast het terreintje voor de school twee kleine gebouwtjes
in aanbouw. Het ene wordt de keuken en het andere een dubbel toiletblok. De
afwerking is nog niet gebeurd omdat het geld op is.
Daarna volgt een bezoek aan de lower basic school waar bijna 700 leerlingen
op zitten. Deze zijn niet alleen afkomstig uit Aljamdu. De school staat in feite
in Sittanunku, wat Grote Baobab betekent. Na het passeren van het betonnen schoolwapen,
met het motto van de school: Dedication, Productivity, Perseverance, komen we
inderdaad een grote Baobab tegen.
Na ontvangst door het schoolhoofd volgt een rondleiding over het schoolterrein.
We bezoeken de schooltuin, waar nu niets meer gedaan wordt omdat de pomp stuk
is. Daarna gaan we naar de gaarkeuken, waar voor de leerlingen in het kader
van het school feeding program gekookt wordt. Het ruikt heerlijk in dit donkere
hol, waar drie dames de scepter zwaaien. Vandaag wordt het rijst met een uien
vissaus, waarbij de verhouding rijst en saus wel erg in het voordeel van de
rijst uitvalt. Na de rondleiding komen we terug in het kantoortje van de hoofdonderwijzer,
waar meteen een schaal op de grond wordt gezet en we gezamenlijk uit eten. Als
speciale gast krijg ik regelmatig stukjes vis aan mijn kant van de schaal gegooid,
zodat ik niets te kort kom. 
Dit typisch Afrikaans gebeuren staat toch wel erg ver weg van het formele gedoe
in Nederland.
Na vertrek neem ik met Musa de boekhouding grondig door. Bij wat kritische kanttekeningen
van mijn kant volgen toch nog bevredigende verklaringen. Deze verklaringen worden
nog eens extra gegeven bij de vergadering van het schoolcomite die hierna volgt.
Men wil absoluut voor iedereen duidelijk hebben dat men schone vingers heeft.
Het opnemen van geld blijkt daarnaast ook alleen maar door drie personen tegelijk
te kunnen.
In de vergadering wordt extra benadrukt dat transparantie de basis is voor samenwerking.
Mede wordt hierom besloten om iemand van buiten het dorp als contact persoon
voor de stichting aan te stellen, die controleert en verslaglegging doet.
Daarnaast wordt nog eens besproken wat de prioriteiten zijn. De vergadering
verloopt voorspoedig en voor mij bevredigend. Daarna zoek ik mijn tent onder
het afdak op.
Het regenseizoen blijkt nu echt begonnen. ‘s Nachts komt het water met bakken
naar beneden waarbij het oorverdovend dondert op de golfplaten.
De halve nacht gaat dit drumconcert door.
De volgende
morgen zijn de gevolgen meteen te zien. De droge stoffige wegen zijn veranderd
in modderpoelen, de varkens rollen zich suf in de plassen, de vogels zijn overal
aan het badderen, de slangen komen uit de holen en waar het nat al gevallen
was zijn de boeren aan het zaaien, schiet het groen al naar boven en steken
op sommige plekken prachtige rode bloemen hun kop boven de vaak zwartgeblakerde
grond uit. De eerste muggen zullen nu wel gaan komen, maar ondanks de nadelen
is deze periode ook de tijd van nieuw leven.
Met Musa bezoek ik zijn tuin. Jan en Hannie, twee leden uit een eerdere groepsreis,
hebben geld beschikbaar gesteld. Na de rondleiding, waarbij we een spitting
cobra vinden in een waterput, gaan we onder het afdak in onderhandeling over
de voorwaarde van de lening. Uiteindelijk besluiten we dat we een contract te
maken waarin staat dat de lening in tien jaar terugbetaald wordt. Het geld wordt
overhandigd aan de vertegenwoordiger van de stichting, die het geld weer aanwendt
voor het algemene doel. Op deze manier snijdt het mes aan meerdere kanten en
hoeft niemand zich benadeeld te voelen. Tot slot spreken we af om over een paar
dagen de vertegenwoordigster van de stichting te ontmoeten en met zijn drieën
het contract te onderteken.
Naast het afdak worden ondertussen cashewnoten geroosterd, die ik bij het vertrek
meekrijg.
Na een duik in het lauwe water van de kreek pak mijn spullen en vertrek ik naar
Tendaba. De weg is na jaren klaar en ik ben bijzonder snel in Farafenni voor
de ferry. Ik sta vooraan, maar het duurt zeker anderhalf uur voor we vertrekken
(te weinig verkeer!). Omdat door de regenval de sluiproutes niet mogelijk zijn
moet ik de hoofdweg nemen. Dat betekent van gat naar gat stapvoets rijden, waardoor
Tendaba toch nog laat bereikt wordt.
De volgende dag ga ik door, mede omdat het matras veel te dun is voor een goede
nachtrust.
Bij Sibanor blijkt tot mijn verrassing dat de wegwerkzaamheden voor een nieuwe
weg al tot daar gevorderd zijn. Het is nog maar een piste, maar in elk geval
al veel beter dan het gaten asfalt. Mijn tent sla ik op onder het afdak van
het restaurant van Tumani Tenda, waar ik zelf mijn soep maak en daarna deel
met het enige aanwezig lid van de staf Sanna.
De Bush Babies (kleine halfapen) laten zich goed zien en horen.
De volgende dag weer de drukte in van de kustomgeving (bekend als Kombo).
In de middag
tref ik Fakiba, Marjama en Musa op het afgesproken punt. In vol ornaat zijn
ze aanwezig, echt op stap in de stad. De verleidingen om te consumeren is bij
het bezoek van een wandelende zonnebrillenventer toch te groot voor Marjama.
Ze koopt een flitsende zonnebril, die bij elke foto die ik van hen maak gauw
wordt opgezet.
Daarna gaan we naar het internetcafé, waar Fanta(de contactpersoon) net
een baantje heeft gevonden. We spreken de zaken door, tekenen het contract en
gaan daarna naar de website van Globe Natuurreizen, waar Stichting Aljamdu op
staat. Trots kijkt men naar de site, waar ze zelf op terug te zien zijn. Na
wat oriënterende bezoeken aan enkele winkels breng ik mijn gasten naar
de ferry. Onderweg komen we vast te zitten in een opstopping. Aan de andere
kant komt een stoet auto’s aan, wat het konvooi van de president blijkt te zijn.
Hiervoor moet alles stoppen en wijken.
Voorop rijden diverse open auto’s, met op de bak een mitrailleur gemonteerd,
en daarachter grimmig kijkende militairen, gevolgd door vrachtauto’s en in het
midden allerlei terreinauto’s en als klapstuk een driedubbel verlengde geblindeerde
zwarte Hummer (met president) en daarachter weer een hele partij auto’s waaronder
ziekenauto’s met zwaailichten.
Van het geld dat elke gereden kilometer zo kost, kan in dit land heel veel gedaan
worden.
Is bescheidenheid niet een kwestie van inzicht en wijsheid?
Gert.
Stichting Aljamdu
Rabobank: 131856693
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
<<<terug naar de vorige pagina